← Back

Advanced Structures & Complex Grammar

Passive voice, subjunctive, relative clauses, infinitive constructions and formal Dutch
Er + zijn/hebben (there is/are)
Er + zijn/hebben (there is/are)
er is, er zijn, er was, er waren
Er is een probleem. Er zijn veel mensen. — existential er
Er als plaatsaanduiding
Er as place reference
Ik woon er al jaren. Ben je er al geweest?
Er replaces previously mentioned place
Zelf / zelfs (self / even)
Zelf / zelfs (myself/yourself / even)
Ik doe het zelf. Zelfs hij weet het.
zelf = reflexive emphasis; zelfs = even (scalar)
Laten + infinitief (let/have someone do)
Laten + infinitive (let/have done)
Ik laat hem werken. Laat me gaan.
laten = causative; also used for suggestions: Laten we gaan!
Komen + infinitief (come to do)
Komen + infinitive (come and do)
Hij komt eten. Kom je spelen?
komen + infinitive without te = come and do something
Zullen in beleefd verzoek: Zou jij…?
Zullen in polite request: Would you…?
Zou jij kunnen helpen?
Zou (conditional of zullen) + infinitive = polite request
Mogen vragen: Mag ik…?
Asking permission: May I…?
Mag ik hier zitten? Mag ik een vraag stellen?
mogen = to be allowed; Mag ik = May I
Moeten vs hoeven (te): must vs need not
Moeten vs hoeven (te): must vs need not
Ik moet gaan. / Ik hoef niet te gaan.
hoeven + niet/geen + te + infinitive = need not
Genieten van / houden van / bang zijn voor
Enjoy / love / be afraid of (verb + preposition)
Ik hou van muziek. Ik ben bang voor honden.
Common verb + preposition combinations
Tot ziens! / Doei! / Dag!
Goodbye! / Bye! / Bye! (informal)
tot zeens, doo-ee, dakh
Farewell expressions from formal to informal