← Back

Past Tenses: Preterite & Perfect

Weak and strong verbs in simple past, present perfect with hebben/zijn
Zwakke werkwoorden: stam + -te/-de/-ten/-den
Weak verbs: stem + -te/-de past tense
werkte/werkten, leefde/leefden
't kofschip / 't fokschaap: voiceless stem-final → -te
't Kofschip regel: t-k-f-s-ch-p → -te, rest → -de
The 't kofschip rule
werken→werkte, leven→leefde, maken→maakte
Memorise: 't kofschip or 't fokschaap — both mnemonics work
Sterke werkwoorden: klinkerwissel in OVT
Strong verbs: vowel alternation in simple past
rijden/reed, schrijven/schreef, gaan/ging
Must memorise: infinitive, past singular, past plural, past participle
Voltooid deelwoord: ge- + stam + d/t
Past participle: ge- + stem + d/t
gewerkt, geleefd, gelopen, gekomen
't kofschip also applies to -d vs -t in past participle
Geen ge- bij onscheidbare prefixen
No ge- with inseparable prefixes
begrijpen→begrepen, vergeten→vergeten
Be-, ver-, ont- etc.: past participle has no ge-
Ge- tussen scheidbaar prefix en stam
Ge- between separable prefix and stem
opbellen→opgebeld, uitleggen→uitgelegd
Separable verb: prefix + ge + stem + d/t
Passief met worden + voltooid deelwoord
Passive with worden + past participle
De brief wordt geschreven. Het huis wordt gebouwd.
worden + past participle = present passive
Passief met zijn + voltooid deelwoord (resultaat)
Passive with zijn + past participle (resultant state)
De deur is gesloten. Het werk is gedaan.
zijn + PP = resultant state (not the action)
Passief verleden tijd: werd/werden + deelwoord
Passive past: werd/werden + past participle
De brief werd gisteren geschreven.
werd/werden = past passive auxiliary
Indirecte rede: zei dat + bijzinvolgorde
Indirect speech: said that + subordinate order
Hij zei dat hij morgen zou komen.
Reported speech: dat + verb to end + tense shift