← Back

Verbs & Present Tense Conjugation

Regular and irregular verbs in present tense, modal verbs and separable verbs
Modale werkwoorden in verleden tijd
Modal verbs in past tense
kon, mocht, moest, wilde, zou
Modal past: kan→kon, mag→mocht, moet→moest, wil→wilde, zal→zou
Modale werkwoorden + perfectum: heeft kunnen komen
Modal verbs + perfect: has been able to come
Hij heeft kunnen komen. Ze heeft moeten werken.
Modal + perfect infinitive in subordinate clause
Dubbele infinitief in bijzin
Double infinitive in subordinate clause
…dat hij heeft kunnen komen (not *gekund)
Modals form double infinitive instead of past participle in perfect
Zullen + infinitief: toekomst en beleefdheid
Zullen + infinitive: future and politeness
Ik zal morgen komen. Zal ik helpen?
Future (certainty) and offers/suggestions with zullen
Zou + infinitief: conditioneel en afstand
Zou + infinitive: conditional and distancing
Ik zou graag komen. Dat zou kunnen.
Zou = polite/uncertain; zou + hebben/zijn + PP = conditional perfect
Werkwoordclusters in bijzin: volgorde
Verb clusters in subordinate clause: order
…dat hij het boek had kunnen lezen
Red order vs Green order — regional variation in verb clusters
Rode vs groene volgorde: NL vs BE
Red vs green order: Netherlands vs Belgium
NL: gelezen heeft; BE: heeft gelezen (in subordinate)
Regional preference for verb cluster order
Aspectuele perifrases: bezig zijn met, blijven
Aspectual periphrases: be busy with, keep
Ik ben aan het lezen. Hij blijft werken.
Progressive: aan het + infinitive; continuative: blijven + infinitive
Aan het + infinitief (progressief aspect)
Aan het + infinitive (progressive aspect)
Ik ben aan het koken. Hij is aan het werken.
Most natural progressive in Dutch: zijn + aan het + infinitive
Causatief: laten + infinitief
Causative: laten + infinitive
Ik laat het huis bouwen. Ze liet hem wachten.
laten = have/make someone do; causative construction