← Back

Talking About Yourself

Simple sentences to describe yourself.
Ik ben student.
I am a student.
Ik ben student.
Mijn naam is ...
My name is ...
Mijn naam is ...
Ik kom uit Nederland.
I am from the Netherlands.
Ik kom uit Nederland.
Ik woon in Amsterdam.
I live in Amsterdam.
Ik woon in Amsterdam.
Ik ben twintig jaar oud.
I am twenty years old.
Ik ben twintig jaar oud.
Ik ben getrouwd.
I am married.
Ik ben getrouwd.
Ik heb twee kinderen.
I have two children.
Ik heb twee kinderen.
Ik spreek Nederlands en Engels.
I speak Dutch and English.
Ik spreek Nederlands en Engels.
Ik lees graag.
I like reading.
Ik lees graag.
Ik ben blij.
I am happy.
Ik ben blij.
Ik ben moe.
I am tired.
Ik ben moe.
Ik heb honger.
I am hungry.
Ik heb honger.