Languages
Quiz
Practice Cards
🎙️ Pronunciation
📱 Install App
English
English
Arabic
Chinese
French
German
Hindi
Persian
Portuguese
Russian
Spanish
🌙
🔑 Sign In
📝 Register
← Back
Future Plans
Talking about future plans.
Morgen ga ik naar mijn werk.
Tomorrow I will go to work.
Morgen ga ik naar mijn werk.
Volgende week bezoek ik mijn familie.
Next week I will visit my family.
Volgende week bezoek ik mijn familie.
In de zomer gaan we op reis.
In summer we will travel.
In de zomer gaan we op reis.
Ik ga Nederlands goed leren.
I will learn Dutch well.
Ik ga Nederlands goed leren.
Zij begint een nieuwe baan.
She will start a new job.
Zij begint een nieuwe baan.
Ik bel je morgen.
I will call you tomorrow.
Ik bel je morgen.
We kopen een nieuw huis.
We will buy a new house.
We kopen een nieuw huis.
Vanavond kook ik.
I will cook tonight.
Vanavond kook ik.
Ze zijn er snel.
They will arrive soon.
Ze zijn er snel.
Ik hoop je snel weer te zien.
I hope to see you again soon.
Ik hoop je snel weer te zien.
Volgend jaar studeer ik af.
I will graduate next year.
Volgend jaar studeer ik af.
Ik ben van plan een taal te leren.
I plan to study a language.
Ik ben van plan een taal te leren.